105
dolle huwelijk van Messalina, de vrouw van Keizer Claudius, met haren gunsteling
Silius tot onderwerp; de rollen waren al uitgedeeld, maar bij de eerste lezing, die in
tegenwoordigheid van den dichter plaats had, begrepen de tooneelspelers den
inhoud niet goed. Om hun de verhouding tusschen de drie hoofdpersonen duidelijk
te maken, zei Vondel: stel eens, dat zeker prins een gek was en de prinses, terwijl
haar echtgenoot op reis was, met zeker raadsheer wilde trouwen. Hij noemde daarbij
namen en de tooneelspelers gisten onder elkaar, of dat wel de juiste waren en of
niet soms op anderen - blijkbaar op Frederik Hendrik en Amalia van Solms - werd
gedoeld. Dat praatje verbreidde zich en kwam ook de regenten van het Weeshuis
ter ooren, die terstond zwarigheid maakten, om een treurspel, waarin het publiek
toespelingen kon zoeken - men had de
Palamedes
nog niet vergeten - op te voeren.
Vondel, die van den Prins geen kwaad wist, schrikte er voor terug, om geheel
onschuldig aanstoot te geven; hij verzocht de drie voornaamste tooneelspelers,
hem hunne rollen weer ter hand te stellen, omdat hij er iets in wilde veranderen,
heeft daardoor het drukken van het treurspel belet en later het handschrift, nadat
hij er voor andere treurspelen een en ander aan ontleend had, verbrand. Brandt
deelt mede, dat de
Messalina
‘ontrent het jaar’ 1638 geschreven en in studie
genomen is.
De Voerman eindigt aldus:
‘Holla! 'k zou my hier verpraten,
Maer ick magh het hierby laten
En bevelen 't voort de tijt,
Dat het harde yser slijt.
'k Zie de Son is vast aen 't dalen,
En hy schiet zyn goude stralen
In het peeckel van de zee,
En zijn zuster komt in stee
Met haer staet van Hof-gesinden;
'k Magh mijn kooy in 't hoy gaen vinden;
't Is koud weer en ick ben moe;
Goeden nacht, tot morgen toe!
Nou aen 't lachen!
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern