208
overpeinzingen leidt. Wanneer Emilia hare huiselijke plichten vervuld heeft, leest
zij God's Woord, werken over natuurkunde en historie, romans van Richardson en
Hermes (br. 4), gedichten van Sluiter, Betje Wolff, Gellert, Gessner, Cronegk, E.
von Kleist, Klopstock (br. 23, 24, 31) en anderen. Hirschfeld behandelt de lectuur
weliswaar niet zoo uitvoerig, doch leest ook veel; behalve de klassieken citeert hij
bij voorkeur Uz, Hagedorn, Gessner, Haller, Kleist, Wieland en Klopstock. Bovendien
wordt in de natuur, volgens Hirschfeld, zoo menig mensch tot dichter (n
o
. 16), en
evenzoo schrijft Euphrozyne van hare vriendin, dat de natuur haar tot dichter maakt.
Getuigen daarvan zijn de gedichten van Emilia, die haar van tijd tot tijd invallen (br.
31 ‘Aan de Maan’, br. 50 ‘De afgaande Herfst’), evenals ook over Euphrozyne de
dichtgeest vaardig wordt, wanneer zij de zee voor zich ziet (br. 48). Een niet minder
groot genoegen dan de poëzie levert 's avonds buiten de muziek. Emilia zet zich
dan bij voorkeur aan het klavier of grijpt de dwarsfluit; soms zingt zij, alleen of met
Euphrozyne, een lied, hetzij van A. van den Berg (br. 29), hetzij van Gellert (br. 13).
Evenzoo hoort Hirschfeld (n
o
. 10) ‘Chloens Stimme, die, den Abend zu verschönern,
ein Lied von Gleim und Hagedorn und Weisse zum Clavier singt, und über ihre
süssen Melodien die einschlagende Nachtigal eifersüchtig macht’. De grondslag
van dergelijke genoegens is de bij beiden aanwezige overtuiging: de kunsten zijn
uit de natuur ontstaan, en derhalve ook alleen in de natuur ten volle te genieten.
Hirschfeld heeft daaraan het heele 16
e
vertoog gewijd; Post is in dit opzicht minder
theoretisch.
Het stadsleven.
Er bestaat eene zekere overeenstemming tusschen de voorstelling van het leven,
dat men niet moet leiden, bij Hirschfeld en Post. Eerstgenoemde schildert dat leven
weliswaar niet in de stad, doch kiest in n
o
. 3 een zestal typen, die ofschoon ze een
buitenverblijf bezitten, daarvan niet weten te genieten. Tot die typen behooren o.a.
de vadzige Crispil, de gierige Axel,
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern