192
15. Zwitserland is het schoonste en gelukkigste land met zijne frissche en zuivere
lucht (‘nicht vergiftend wie in den Sümpfen der Niederlande’). De deugd zijner
inwoners. De vrienden van den schrijver. Een huishouden. Petrarca.
16. Het ontstaan der schoone kunsten door de navolging der natuur: toonkunst,
schilderkunst, dichtkunst.
17. De beteekenis van de natuur voor de opvoeding. Hoe gezond zijn de kinderen
van den landman! Hoe de oorspronkelijke menschelijke deugden bij kinderen op te
wekken. Ontvankelijkheid van het kinderlijk gemoed. De ondeugden der stad. Het
opvoeden van vorstenzonen. Het buitenleven hoeft geene slechte manieren te
veroorzaken.
18. De gansche natuur leeft. Het schoone van de dieren, vooral insecten en
vogels.
19. Een onweer. Daarin toont zich God's grootheid. Men moet tijdens een onweer
geene vrees betoonen.
20. De hitte van den zomer. Al is zij onaangenaam, zij is voor het leven der natuur
nuttig. Zomerregens. De natuur na een onweer.
21. Het vee en de herders. De oogst en de maaiers. Het pastoraal geluk van den
landman in Zwitserland; elders is hij veelal een slaaf. De mensch is tot vrijheid
geboren. Landbouw maakt gelukkig. Het verschil tusschen den goeden en den
slechten landheer.
22. De jacht. Volgens de natuur is de jacht geoorloofd, mits op menschelijke wijze
beoefend. Drijfjachten zijn af te keuren.
23. Avondstilte. Gesprek in een priëel. Vrede en vriendschap de hoogste goederen
op aarde. De hemelsche verwachtingen.
24. Vergankelijkheid der landelijke vreugde, de weemoed van den winter. Zoo
snel vervliegt ook ons aardsch geluk. Slechts een goed gebruik kan den korten duur
vergoeden. Laat ons 's winters in de stad van onze herinneringen genieten!
Uit deze summiere en dorre inhoudsopgave van ‘Das Landleben’ zullen reeds
enkele punten van algemeene overeenkomst met en ook afwijking van ‘Het Land’
duidelijk geworden zijn.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern