150
lênŭ
, enz. oneens is. In hetzelfde geval verkeer ik ten opzichte van Litausch
liáuju
,
liáunu
, ophouden, met iets uitscheiden.
Al draagt het Poolsche woord niet bij tot de verklaring der etymologie van
lui
, enz.,
meende ik toch dat het de moeite waard was er de aandacht op te vestigen.
H. KERN.
54. Robbe,
vischmaag.
Van dit woord wordt gewag gemaakt in Franck's
Etymologisch Woordenboek der
Nederlandsche taal
(2
de
Druk door Dr. N. van Wijk), 552, waar gezegd wordt: ‘nnl.
II
rob
‘vischmaag’ (sedert Winschooten, 1681).’ Maar 't woord komt veel vroeger
voor. De Marees schrijft in 1602: ‘wij vonden altijt veel vliegende visch in hun maeghe
of robbe’ (ed. Naber, 1912, p. 161). In ‘De eerste schipvaart der Nederlanders naar
Oost-Indië onder Cornelis de Houtman 1595-1597’ (uitg. door Rouffaer en IJzerman),
I, blz. 53 zegt de schrijver, W. Lodewijcksz: ‘Zij (nl. de
Bonitos
) vernielen een groote
menichte vande vlieghende visschen die der somwylen wel 10 oft 12 in haer rop
vonden.’
Rop
is natuurlijk een fonetische spelling voor
rob
, welke verkorte vorm
voldoende bewijst dat het vollere
robbe
wie weet hoeveel ouder is.
Het woord ontbreekt bij Kiliaan, gelijk menig ander, waarvan men kan bewijzen
dat het in zijn tijd hier te lande in gebruik was. Er is niets tegen, dat men bij de
behandeling van een Nederlandsch woord opmerkt dat het in Kiliaan ontbreekt,
maar men mag daaruit niet de gevolgtrekking maken dat het in zijn tijd nog niet
bestond.
H. KERN.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern