94
Dat ick menighmalen dacht,
Dat het nutter was gebracht
In mijn blaes, en die te hopen,
Om hier na te mogen koopen,
In een eygen stille kluys,
Warme kost in 't Mannen-huys
En het overschot te senden
Na jou meesters bonte bende
1)
,
Daer jy, Ezels, selfs wel weet,
Dattet beter is besteet,
Als jou holle Jaepse basten
Met haer brockjes t'overlasten,
Die je dickwils overgaf,
Als een Vercken geeft sijn draf.
Wijse Floris, sonder weten,
Of die wijs wil sijn geheten,
Jy behoorde sulcken doen
Met oogh-luyckingh niet te voen,
Maer veel eerder uyt te royen;
Dan ick denck, het klockend' poyen
Had met jou oock sulcken val,
Als met yemand van haer al,
En het is oock vaeck gebleken
Door je droncken Hoofsche streken,
Als de swarte Leeu sijn vat
Seyde: “Hopmans Seun is nat,
Maer hy is weer wel gewapend,
Want hy heeft mijn kracht, al gapend',
En mijn vochtigh ingewant
Door sijn toogjens over-mant.”
Wel, wat nood was 't, dat jou sinnen,
Buyten bierigh, en van binnen,
Maelden als een Water-wiel,
Als je 't soopje binnen hiel.
Maer je moetje kracht stracks uyten
En je hoovaerdy ontsluyten,
Die met sulcken botticheyt
Al je malle doen beschyt,
Dat je knechten t'samen rotten
1) De weeskinderen in hunne kleurige kleedij.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern