3
mnd.
deger
(
e
), mhd.
dëger.
Voor
degherlec
is een der beide bewijsplaatsen:
suvert
harde
- ‘met buitengewone zorg’ dus = ‘terdege’. Dit sluit zich aan bij gron.
deeg
‘terdege’, waarbij ook
deeg ankieken
‘onderzoekend aankijken’, bij fri.
diger
‘bijeenhoudend, spaarzaam’ en ‘oplettend, nauwkeurig, zorgvuldig’,
digerje
‘staren,
turen’,
digerkyk
‘(het) turen, staren’,
digerkykje
‘turen, staren’, bij Helmondsch (Van
de Schelde tot de Weichsel I 374)
di-eeger
‘terdege’. Dit alles maakt reeds ontleening
onwaarschijnlijk. Daarenboven is
deger
nog in gebruik in N.-Brabant (Zeeland, Uden;
z. Onze Volkstaal I 199) als ‘schoon, zuiver’, b.v. de sneeuw is - weg.
DEINEN (DIJNEN). Dit woord zou ik willen verbinden met ags.
ðindan
‘zwellen’,
Teuth.
dynden
(d.i.
dinden
) ‘zwellen, dik worden, verhoovaardigen’. Ten Doornkaat
Koolman heeft weliswaar
dinen
in plaats van te verwachten
dinden
,
dinnen
, maar
prt.
dun
(ook zw.), ptc.
dunnen
; naast ‘ik heb so'n dinen in de läder (Gliedern), dat
...’ staat: ‘d'r sit fan dage so'n dinen in 't water, dat wî wol hâst 'n hogen flôd
ferwachten wäsen können’. Molema
dienen
‘opzwellen, uitzetten, van eenig vleezig
gedeelte van het lichaam’, Oldambt Westerwolde
diende
,
diend
, Ommelanden
don
,
donnen.
Noordhorn
dienen
‘opzetten’, van lichaamsdeelen en van de lucht, zw.
evenals
uutd.
‘zich uitzetten’ en opd. ‘opzetten’ v. lichaamsdeelen, maar adj.
opgedonnen
‘opgezet in 't gezicht’. Nwfri.
dynje
‘deinen’. Wangeroog
þîn
(Ehr. Arch.
II 78:
dait watter thint
,
thînt
,
dînt
bezeichnet die hohen Wogen, die sich aber noch
nicht stark schäumend brechen), èn geconj. als
schîn
‘scheinen’ èn zw., wel niet <
*
þînan
(vgl. ohd.
swînan
naast
swindan
), maar van conj. veranderd door
în
<
ind
;
desnoods kan het echter uit het nd. zijn overgenomen (tijdens
th
-uitspraak, en weer
met
d
; doch ook
thînîng
m. ‘golf’, in de vrb. vóór en na storm). Hetzelfde geldt van
het fri. en ndl. woord. Evenwel kan
dijnen
ook een holl. phonetisch ontwikkelde vorm
zijn, te vgl. met
vijnen
‘vinden’ e.a., welbekend uit onze oudere schrijvers. (Of
misschien ook (sa.) ofri., evenals gron., een woord als
binden
ten deele met
ì
, ten
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern