197
Een enkel insect grijpt hij en bewondert het samenstel van leden en gewrichten:
‘dann sieht der aufmerksame Naturbetrachter auch in diesem Theile eine unendliche
Weisheit, dann empfindet er die Unbilligkeit diese Geschöpfe zu verachten, die nicht
weniger, als der Mensch, von dem erhabensten Wesen ihren Ursprung haben’. Men
vergelijke met dergelijke beschouwingen de aandacht, die Emilia en Euphrozyne
aan een mierenhoop en eene spin wijden (br. 32). Over de jacht oordeelt Hirschfeld
in n
o
. 22 iets minder sentimenteel dan Post. Het dooden van dieren tot voeding keurt
hij niet af, al acht hij ieder noodeloos rekken van den doodsstrijd verkeerd, weshalve
hij zich wel tegen drijfjachten verklaart. Het schijnt echter, dat Post ook in de eerste
plaats aan eene drijfjacht denkt, wanneer zij in br. 50 van de dieren zegt: ‘Vergeefs
zoeken zij hunne veiligheid, voor den loerenden jager, in een bedekt leger, of
slingerend hol; de fijnruikende brak, of de doorsnuffelende fret, sporen hen op, en
zij worden een prooi van het roofzugtig vermaak der jagtbeminnaren. - Wreed
vermaak! - een onnozel dier dat kommerloos in de bosschen leeft, uit zijn schuilplaats
te verjagen, in angstige vrees te doen omdolen, het aftematten, en onbewogen voor
zijn geschrei, het eindelijk te moorden!’ Immers tegen het dooden van dieren voor
noodzakelijk levensonderhoud verzet zich ook Post niet, getuige de vischpartij in
br. 32.
Ten slotte nog ééne algemeene gedachte, waarin Post zich bij Hirschfeld aansluit:
na den blijden bloei der natuur komt in herfst en winter het verval, dat godsdienstige
gedachten wekt over de vergankelijkheid van al het aardsche en de kortstondigheid
van 's menschen geluk. Post wijdt er hare laatste brieven aan en versterkt den indruk
dier beschouwingen nog door het symbolisch-dramatisch effect van Euphrozyne's
onverwachten dood. Vooral br. 51 is in dat opzicht teekenend. Emilia ziet planten
en dieren om zich heen sterven in de koude van het najaar; en zoo sterven ook al
onze aardsche schatten af, geene schoonheid blijft - totdat uit dit besef
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern