1
Etymologische aanteekeningen.
BOK in
een - schieten.
Wil men ingaan op Van Wijks gissing, dat de uitdr. oorspr.
den diernaam
bok
+ een ander ww. bevatte en beteekende ‘een bokkesprong
maken’, dan kan men haar afleiden uit
eenen bok slachten
, d.i. ‘gelijken’;
sl.
zou
men dan bij wijs van aardigheid, alsof men met het homoniem te doen had, door
schieten
hebben vervangen. Echter heeft de hd. uitdrukking naast zich
eine Ente
schiessen
,
einen Pudel s.
,
einen P. machen
; de beide eerste zou men dan voor
opzettelijke varianten kunnen houden, de laatste voor ontstaan nadat men
Pudel
als syn. van
Fehler
,
Versehen
was gaan voelen. Doch diernamen komen ook naast
andere ww. in syn. uitdr. voor - z. thans Stoett
3
n
o
. 269 -, en
schieten
kan bedoeld
zijn als aanduidend ‘bemachtigen’, alsof er geluk en vaardigheid toe behoorde om
zulk een slag te slaan.
BOL (rond voorwerp). Hierbij met enkele cons. on.
bolr
,
bulr
m. ‘boomstam, lichaam,
romp’. Os.
bollo
‘nap’ leeft voort in dre.
bòl
(
le
) ‘houten nap’.
BOM (schuit). Mnl. *
bomme
in
bommekijn
‘vaatje’. De bet. ‘trommel’, vooral ook
als ‘t. waarin men iets bergt’, ligt niet te ver af, en kon te lichter opkomen wegens
het syn. *
tromme
, waaraan men ook laatstgenoemde bet. mag toekennen, in
overeenstemming met mnd.
trumme
en gron.
trom
(
me
). ‘Vat’ schijnt voor een vaartuig
aannemelijker grondbet. dan ‘tympanum’.
BREIEN, BREIDEL. Tiefstufe in Wangeroogsch
brûd
‘breien’, prt.
brut
, ptc.
far-brut
,
tô-brut
, in het oofri. ptc.
brûden
(V. Helten, Aofri. Gr. § 209), en in ags.
brygd
m.
i
-st.
‘vibratio’ = ofri. -
breud
< *
brugđi
(V. Helten, Zur lex. d. aofri. 68). -
Breidel
zal wel
berusten op *
bregdil
, onder invloed van
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern