71
mag uit de nergens elders gevonden samenstelling
Sappetausvaarder
de
gevolgtrekking worden gemaakt dat het woord
Sappetau
(-
ou
) aanmerkelijk ouder
is dan ± 1700, daar voor Romeyn de Hooghe de beteekenis ‘een Jan Goddome’
niet meer gold. Het lijkt wel of hij in
Sappetau
den naam van een Indisch land gezien
heeft, want voor hem beteekent Sappetaus-vaarder Oostindies-vaarder. Evenmin
als Alewijn gebruikt de Hooghe het woord als een schimpnaam. De sappetau is de
held van het drietal. Een spoor van de oorspronkelijke beteekenis ‘Jantje Goddome’
is evenwel te vinden in de woorden waarmee de Orenbaar hem aan Hannekenuyt
voorstelt: ‘een man der maanen; die 't niet scheelen zou, of hij voor de ring van de
hel voer, als 'er maar wat te beschaaren was’.
Wat
Orenbaar
betreft, merkwaardig is hier de beteekenis door de Hooghe er aan
toegekend. Zij komt met geen der beteekenissen overeen die het Wdb. d. Ndl. T. II
I, kol. 817 van
baar
opgeeft: (1) Spotnaam voor een zeeman die voor het eerst van
zijn leven de linie passeert en in Indië komt. (2) Spotnaam voor ieder die pas in
Indië komt, en bij uitbreiding: iemand zonder menschenkennis. (3) Ook gezegd van
een nieuweling in een kunst of wetenschap.
Van de Hooghe's
Orenbaar
wordt uitdrukkelijk gezegd dat hij zich nooit op zee
gewaagd heeft, laat staan de linie gepasseerd of in Indië geweest is. Hij is een
Jangat, een bange landrot. Blijkt niet uit deze vroege beteekeniswijziging dat het
woord omstreeks 1700 reeds een lange geschiedenis in den volksmond had?
Indien de algemeen aangenomen etymologie van
bakkeleien
nog bewijs behoefde,
zou de Hooghe's Maleische aanhaling de twijfelaars kunnen overtuigen.
A.J. BARNOUW.
42. Blankofficier.
Het Wb. d. Ndl. T. II II kol. 2784 verklaart niet waarom zoo'n opzichter over de slaven
een ‘officier’ heette. In het lezens-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern