290
zijn als in vla.
kijte
‘kuit’. Kil. geeft als vla.
locke
(en
locken
‘zuigen’; vgl. De Bo
lokken
‘al zuigende drinken’ [antw.
lokken
‘dooien door de zonnestralen’:
het lokt
d.i. ‘het
maakt vochtig’ < *‘het zuigt’?]; vocaaltrap als ohd.
kluppa
‘tang’ bij
klioban
(geen
Uml. blijkens mhd.
kluppe
‘zange, zwangholz; a/jointfilesconvert/403870/bgespaltenes stück’).
Mnl. LOEKEN. Daar de
k
terugkeert in het os., het fri. en het ags., is ze voor oorspr.
te houden; terwijl Kluge zegt: ‘ahd.
luogên
eigtl. ‘aus dem Versteck spähen’ gehört
wohl zu ahd. mhd.
luoc
(
g
) ‘Versteck, Lauerhöhle des Wildes’, komt men op het
vermoeden, dat oorspr. *
luokên
zich heeft gewijzigd doordat men het met genoemd
subst. in verband bracht. Dat in het nwfri.
k
verdubbeld en geassibileerd werd vóór
secundaire
i
der
ô
- verba, en dat dan door generaliseering ww. met
tsj
en met
k
naast elkander ontstonden, is voor ww. met
ă
vóór
k
aangetoond door Van Helten,
PBB 19; hetzelfde heeft plaats gehad in verba op -
ŏk
- blijkens Fri. Wb.
koaits
(
j
)
e
,
kôkje
‘koken’. In ons ww. is vóór geminata de voc. verkort, vd.
loaitsje
en
lôkje
; de
oorspr. vóór de vormen met enkele cons. behoorende lange voc. toont zich nog in
het zwak prt.
Loeke
(naast
lôke
;
ô
ontstond uit gerekte
ŏ
, terwijl oorspr.
ô
tot
oe
werd). Wangeroogsch
lauk
; in 't wa. en saterl. is *
bilôk
-, met syncope der
i
, met
zien
tot één paradigma versmolten (hoofdvormen: wa.
sjô
,
blauket
,
blauket
, -stl.
s
i
ô
,
sag
,
blôked
). Gelijke sync. in
blawken
‘sehen’ bij Cad. Müller. [Oudbeierlandsch
blōkə
‘den oogst, het gewas opnemen’, vooral in
tiend
- ‘het koren gaan bezichtigen of
gaan schatten, ten einde bij de tiend-verkoopingen te kunnen bieden’ (
ō
<
ŏ
),
Bommelerwaardsch
tiendblokkə
‘tienden aanwijzen’ zal intusschen wel, zooals
Beets mij aan de hand geeft, ontstaan zijn uit
tiendblok
; z. Nl. Wb. II 2910.] Misschien
hierbij (
ge
)
leuk
‘schouw’ (Nl. Wd.
leuk II
); niet noodzakelijk < *
luki
, maar misschien
< *
loki
, met analogische
o
naar 't ww. - Daar de bet. ‘kijken [naar]’ verklaarbaar is
uit ‘letten op’, ‘zich bekommeren om’, kan men in gm.
lôk
- denzelfden wortel aanemen
als in de bekende familie gr.
αλέγω
, lat.
neg-lego
enz.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern