91
na nieuwjaar. Ook onder de hoofden van den Schouwburg was er tegenwerking,
nl. van de zijde van Simon Engelbrecht. Die tegenwerking gaf Vondel het versje in
de pen:
Als Gysbreght van Aemstel belet wierd gespeelt te werden
,
door N.N. een
Akenaer.
Wie wroet des Amstels Schouwburg om?
Een Akervarken, bot en dom
1)
.
Maar
D'onbekende voerman
zegt, dat ‘D'eerste Ezel van de ses’ niet naar Joosjes
stem wou luisteren, en de eerste was, zooals wij boven zagen, W.D. Hooft. Aan
eene vergissing van Tengnagel mogen wij niet denken; daarvoor was hij veel te
goed op de hoogte van de tooneelgeschiedenis van zijn tijd. Het komt mij
waarschijnlijk voor, dat Vondel aan de hoofden van den nieuwen Schouwburg zijne
hulp en zijn raad had toegezegd - dat mag men m.i. opmaken uit de woorden:
Die
doe meed' de Wagen mende
- maar dat al heel spoedig de ‘hoveerdighe’ Hooft daar
niet van gediend is geweest en Vondel zich heeft teruggetrokken.
De Voerman heeft nu weer het woord:
‘Och! ick mach 'er niet op dencken,
Want ick sou mijn sinnen krencken,
En ick ben mijn niet gelijck,
Als ick op mijn Ezels kijck,
Die, in schijn van menschen, trecken,
En mijn oogen souden decken,
Seyde niet haer buyten-schijn,
Datse binnen Ezels zijn,
Op een nieuw fatsoen gebooren.
Sonder lange steyle ooren;
En 't is seker, want haer daet
1) Vgl. Dr. G. Penon,
Historische en bibliographische beschouwing van Vondels hekeldichten
,
Groningen
,
P. Noordhoff
, 1873, blz. 190, vlgg.; mijn
Jan Vos
,
Groningen
,
bij J.B. Wolters
,
1879, blz. 100, 101; Te Winkel,
Bladzijden uit de geschiedenis der Nederlandsche letterkunde
,
blz. 120, 121, en Unger's
Vondel
, 1637-1639, blz. 129.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern