67
Haer órsse op dérde knièlen.
Rhythmisch verschil is er alleen in de lengte der daling.
Ook in zinnen
zonder
aanloop kan, behalve door bovenstaande omschrijving met
‘moeten’, aan den eisch der nieuwe woordschikking worden voldaan door een
zinsvorm met rijmend adverbium:
Die jóncfrouwe in die cámere lièp
is, wat rhythm. heffingen betreft, geheel gelijk aan:
Die jóncfrouwe liep in die cámere doè.
Zonder ons in uitvoerige vergelijking te begeven, schijnt het toch aannemelijk, dat
het verdwijnen der oude woordschikking samen moet gaan met groeiende voorkeur
voor rijmende adverbia.
Het verdient de aandacht, dat de Ferguut een der weinige gedichten is met meer
aoristische adverbia
buiten
dan
in
het rijm
1)
. Ten gevolge van zijn groote vrijheid in
het gebruik der oude woordschikking heeft de dichter aan de rijmende adverbia met
rhythmischen bijtoon weinig behoefte.
Ook het getal der aoristische perfecta is in den Ferguut grooter dan dat der
rijmende adverbia
1)
. Gelijk we zagen, wordt door het gebruik van samengesteld
praedicaat de inversie in de hand gewerkt, terwijl tòch de eigenlijke werkwoordskern
aan het verseinde behouden blijft.
De volgende aanhalingen toonen, hoe door de syntactische afwisseling van zinnen
met oude woordorde en andere met samengesteld praedicaat de rhythmische
welluidendheid van het geheel wordt bevorderd:
3579 Toten rídder es hi còmen
3580 Ende heften bi den hálse genòmen
3581 Onder sinen áerm hine sloèch
3582 Dápperlike hine wéch dròech.
1) Vgl. De vormen van het Aor. Praet. in de Mnl. Epische Poëzie, blz. 68/9.
1) Vgl. De vormen van het Aor. Praet. in de Mnl. Epische Poëzie, blz. 68/9.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern