128
titeld: ‘Ondersceet tusschen kinnesse ende minne, die hebben de groote clerke
sonder leven ende goede menschen sonder hoghe verstaen, ende van dolinghen
der vriër gheeste’.
5
o
Cap. XII van het traktaat
Van vijfterhande bruederscap
(Hs. 667, fol. 219
c
),
getiteld: ‘Hoe verdienlike dat es ghewareghe ghehoorsamheit inder ordenen. Ende
hoe die lollaerde ende susteren dolen, die haren staet achten boven den staet der
ordenen’.
V.
Over de gebreken van het lekenvolk: over zondagschennis
,
hebzucht
,
diefstal en schijnvroomheid.
1
o
Cap. XIX van het traktaat
Dat boec vanden tien gheboden Gods
, getiteld: ‘Welc
die quade menschen sijn die die vierte breken’ (Hs. 667, fol. 23
c
).
2
o
Cap. XL van hetzelfde traktaat, getiteld: Vanden sesten ghebode, ende hoe
dat bij es comen, dat die dinghen sijn eyghen worden ende onghemeyne’ (fol. 42
c
).
3
o
Cap. XLI van hetzelfde traktaat, getiteld: ‘Hoe men menigherhande dieve vynt,
dies niet heten en souden willen, ende de proeve dat nochtans waer es’ (fol. 43
a
).
4
o
Fragment van Cap. II uit
Een rolle van richters
, getiteld: ‘Wat enen ghewareghen
rechter toe hoert, ende van den ghiereghen mensche’ (Hs. 888, fol. 183
b
).
5
o
Cap. III uit dezelfde
Rolle
, getiteld: ‘Van menegherande liede die Gode ende
hemelrike weenen coepen met harer wisen’ (fol. 185
c
).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern