240
In het Mnl. Wdb. worden alleen voor houwen =
in stukken hakken
twee gevallen
van een praeteritum ‘houw’ aangehaald, beide uit de taal der rekeningen.
In het gebied der epische taal is klaarblijkelijk een dergelijke verleden-tijdsvorm
van het veel gebruikte houwen =
slaan
niet te vinden. Nu is er een verklaring dezer
verzen mogelijk, waarbij men niet gedwongen is een nooit gevonden vorm te
construeeren.
Tot de syntactische mogelijkheden van den mnl. epischen stijl behoort nl. het
gebruik van een beschrijvend historisch praesens in onmiddellijk verband met een
of meer imperfecta. Men vergelijke naast Stoett § 244 desgewenscht als voorbeelden:
Alex. IX 228-9, 639-40, 960-1; X 428-9; Limb. IV 731-2; Wal. 3042, 8140.
Als een zoodanig praesens, en dan van recapituleerenden aard, is de vorm
‘houwen’ hier m.i. zonder bezwaar op te vatten.
Leysin.
J.S. OVERDIEP.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern