311
geloofd hebben. En Vondel had zeker geen reden om Pauw te sparen.
Het is mogelijk, dat er in den
Roskam
nog meer toespelingen zijn op bepaalde
personen of feiten, maar waarschijnlijk lijkt het mij niet. Al hetgeen hier niet besproken
is, laat zich gemakkelijk verklaren als uitbreiding van deze klachten en van de lofrede
op C.P. Hooft. Intusschen blijft het gedicht in de aandacht van onze
geschiedvorschers aanbevolen.
P. LEENDERTZ Jr.
Op de jonghste Hollantsche transformatie.
Reeds lang heb ik getwijfeld aan de juistheid der dateering van dit gedicht op 1618.
Toen ik het
Leven van Vondel
schreef, had ik voor mijzelf nog geene zekerheid, en
moest dus de gewone voorstelling houden. Maar om het beeld, dat ik mij van Vondel's
ontwikkeling gevormd had, niet te schenden, heb ik dit gedicht niet op het jaar 1618
besproken, maar bij de hekeldichten na 1625.
Wat is er voor en tegen 1618?
De prent is zonder twijfel in 1618 geteekend en gesneden. Anders zou men door
het open venster de terechtstelling van Oldenbarnevelt verwachten te zien, en niet
de afdanking der waardgelders.
In den regel wordt zeker eene prent in den handel gebracht, zoodra zij klaar is.
Op grond daarvan zal ook wel Brandt in de uitgave van 1682 het gedicht, dat onder
alle bekende exemplaren der prent voorkomt, op 1618 gesteld hebben.
Afdoende zijn deze overwegingen niet. In de eerste plaats is het volstrekt niet
ondenkbaar, dat eene prent, omdat er gevaar aan de uitgave verbonden is,
teruggehouden wordt tot betere tijden. Dit is b.v. waarschijnlijk ook gebeurd met de
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern