278
DERDE MANTELARE (blz. 179). Dit woord, in het Mnl. Wdb. nog niet opgenomen, wordt
opgehelderd door Ducange, dat
mantellati
gelijkstelt met ‘fratres tertii alicujus ordinis.’
OERSPRONGHEN. In het Mnl. Wdb. i.v.
orspringen
(V, 206) wordt vragenderwijze een
denominatief órsprongen verondersteld, dat een verandering van
orspronct
in
orsprinct
overbodig zou maken. De eerste aanhaling bij het art.
orspringen
(‘dat alle
wateren ... ierst oorsprongen uter welder zee ende vloeien weder toter zee’) aan
Jan van Leeuwen ontleend (vgl. Hs. 667, fol. 192
b
) versterkt deze veronderstelling,
omdat
oorsprongen
daar zeer goed als tegenwoordige tijd opgevat kan worden.
Een bevestiging brengt het deelwoord
orspronghende
op blz. 248.
RAFUSEN (blz. 182). Uit het verband blijkt de betekenis: het onderspit delven
(synoniem: wt gheworpen werden). Verdam vermoedt samenhang met
refuus
, in
de zin van afval, uitschot (
Mnl. Wdb.
VI, 1188).
RALEN (blz. 265). Vgl.
Mnl. Wdb.
op
rallen
en
rellen.
Als
ralen
niet uit
rallen
verschreven is, zou het een nog onbekende bijvorm zijn.
RIDDERKENS SPEEL (blz. 263). Dit spel, dat in de boetpredikatie tegen de vierte-brekers
veroordeeld wordt, is in de tekst niet voldoende bepaald om er ons een denkbeeld
van te geven. Alleen blijkt dat er geld bij te pas kwam. Over het breken van de ‘vierte’
kan men raadplegen het Utrechtse proefschrift van Dr. P.W.J. van den Berg:
De
viering van den Zondag en de feestdagen in Nederland vóór de Hervorming
(Amersfoort - 1914), waar dit traktaat op blz. 128 vlg. besproken wordt.
ZEENICH (blz. 143). Dit uitheemse woord (‘in zeeneghen vriwilleghen afkeer’), dat
uit andere Nederlandse auteurs niet opgetekend werd, maakt het waarschijnlik dat
Jan van Leeuwen
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern