124
in druk te doen verschijnen, om daardoor een speciaal onderzoek van de beide
lijvige handschriften uit te lokken. Het komt mij namelik voor, dat een dergelijk krities
onderzoek zelfs aan het plan van een volledige uitgave vooraf zou moeten gaan.
Mijns inziens is het zeer goed mogelik dat men op grond van dit onderzoek aan een
gedeeltelike uitgave de voorkeur zou geven. Jan van Leeuwen, gelijk men hem uit
de achterstaande fragmenten zal leren kennen, is een praatgraag auteur: dat uit
zich in breedsprakigheid en in herhaling van dezelfde motieven, indelingen en
redeneringen. Men behoeft slechts de volledige index door te zien van alle opschriften
boven de capita
1)
om zich te overtuigen dat de lektuur van de ‘opera omnia’
allesbehalve onverdeeld genot zou geven. Een oordeelkundige keuze zou
waarschijnlik in staat zijn om de betekenis van deze auteur aan alle zijden te
belichten.
Of de volledige uitgave uit taalkundig oogpunt te rechtvaardigen zou zijn, durf ik
nog niet beoordelen. Wel ben ik overtuigd, en hoop ik door de volgende fragmenten
anderen te overtuigen, dat deze teksten, naast de grote waarde voor onze
beschavingsgeschiedenis, ook voor taalkundigen in menig opzicht belangrijk zijn,
gelijk in het artikel
De handschriften van Jan van Leeuwen's werken (Tijdschr.
XXII,
blz. 142) in het kort werd aangeduid.
Aan de naar hun inhoud gegroepeerde fragmenten laat ik één kleine volledige tekst
voorafgaan, nl.
Die rolie der woedegher minnen
, een dialoog in rijmproza, die ons
de ‘goede coc’ als een bewonderaar en volgeling van Hadewijch doet kennen. In
het bovengenoemde artikel betoogde ik, dat de beide zestiende-eeuwse codices
die Jan van Leeuwen's werken bevatten, in hoofdzaak betrouwbaar zijn, maar dat
de toekomstige uitgever, die deze geschriften naar inhoud en taal krities wil
beschouwen, goed zal doen eerst die gedeelten te bewerken,
1) Mijn afschrift daarvan is ter beschikking van belangstellenden.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern