118
Het feit, dat in een verhaal van ± 1200
Waluinus
reeds een hoofdpersoon was, is
niet zonder belang; het wijst er op, dat reeds in de twede helft der twaalfde eeuw
1)
vertalingen der Britse romans in omloop waren.
Later (a. 1397-1398) komt dezelfde naam voor als
Wailwin
in de Rekeningen der
graven van Holland
2)
.
In een oorkonde van het jaar 1257
3)
doen graaf Guy van Vlaanderen en graaf
Otto van Gelder uitspraak over verschillende twisten en daarbij wordt de naam
Lantsloet
genoemd:
‘De domino Philippo de Enunge taliter est ordinatum, quod
Splenter
4)
de Lantsloet
et Scincke inquirere debent, utrum enz.’
5)
.
III. De dierfabel.
In de Narracio de Groninghe
6)
wordt verteld, hoe de Drenten, na bisschop Otto van
Utrecht met de zijnen (onder wie tal van Groningers) verslagen en de kerkvorst zelf
met vele anderen gedood te hebben, tegen Groningen oprukken; zij hebben zich
voorzien van de nog bloedige wapenen der gedode vijanden. En dan vervolgt de
schrijver:
‘Sed unum erat, quod animos nostrorum comfortabat, quia istos sub
clipeis, sicut asinum sub pelle leonina cognoscebant, qui quandoque, ut
dicit fabula:
Turbabat pavidos per sua rura boves’.
1) Dus nog wel wat vroeger dan gewoonlik (zie Kalff t.a. p. 1, 87) aangenomen wordt.
2) Bij Jonckbloet Mnl. Dichtkunst 3, 611.
3)
In het Cartularium van Bondam n
o
. 7, bij S. Muller, Het oudste Cartularium van het Sticht
Utrecht blz. 200 (= Werken v.h. Hist. Gen. Derde Serie n
o
. 3).
4) Zie voor de naam
Splenter
,
Splinter
Beelaerts van Blokland, Bijdragen voor Vad. Gesch. en
Oudheidk. Vierde Reeks 2e deel blz. 250.
5) Daarentegen vond ik namen als
Roeland
niet anders gebruikt dan bij wijze van vergelijking;
zo b.v. bij de Procurator, die, als hij de slachting der Franse ridders door de Vlamingen bij
Kortrijk beschrijft, uitroept (blz. 65): ‘Et heu! similis materia tantaque miseria a
Rolandi
tempore
in nobilibus ignoratur’.
6) c. 27 (blz. 51).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern