291
LOG. Het bij Franck te vinden vermoeden dat verwantschap bestaat met eng.
lag
‘slap, traag’ wordt versterkt doordat dit woord niet geïsoleerd staat. Eng.
to lag
sinds
1530 (
lag
(
ge
) ‘achterblijven’, soms tr. ‘doen a., vermoeien’ (het ald. uit Kalkar
opgegeven mde.
lagge
vind ik niet als ‘langzaam gaan’, wel als ‘onduidelijk praten
als een klein kind’); eng.
log
, 14-16 E
logge
‘groot blok hout’, enz., 16 E
lug
‘something heavy and clumsy; in quot. applied to a massive bow’; dit wordt in NED
reeds vgl. met ndd.
lug
, ndl.
log.
LOKKEN
enz.
In Noordhorn is
loekooren
(hoofdtoon op eerste syll.), verder westelijk
luukooren
‘luisteren’ (in bepaalde toepassingen). Molema heeft
loekhals
(Middag,
d.i. gem. Hoogkerk, Aduard, Ezinge) schimpwoord voor een paard.
LOOF, LOF. Daar verkorting niet te motiveeren is en daar men gm. *
luftu
-, *
lufta
- ‘dak
van schors’, vd. ‘lucht’ ‘ansetzt’, is voor
lof
dezelfde
u
-trap aan te nemen als in czech.
lupen
‘blad’ enz. Vgl. nog wfri.
leaf
‘dun metalen plaatje of blad’, ‘dun blad papier’,
‘luns’,
leaven
‘loovers, de lange bladeren van koren, riet, enz.’,
leavich
‘met loover,
looverrijk (alleen van grasachtige planten)’, doch
lof
‘loof, gebladerte, inz.
aardappelloof’. Naar het fri. en het holl. spraakgebruik te oordeelen schijnt *
lufam
niet in de eerste plaats boomloof bedoeld te hebben. Van Schothorst heeft in de
woordenlijst een vrb. van aardappels; § 259: ‘Deze verkorting komt slechts eens
voor en wel in
lof
loof, groen, dat in elk geval
lō·f
zou moeten luiden, onverschillig
of het woord op germ.
laubo
, dan wel op germ. *
lubo
teruggaat.’ Gm. *
lof
ligt voor
de hand.
LOOK. Abl. ozwe.
lok
,
luk
‘gras’.
LOOM. [
Sloom
zal wel niet met dit woord verwant zijn; eer met
sluimeren
, mnl.
slumen
, mnd.
slomen
, enz.]. Ook nwfri.: bij Gijsb. Jap.
loam
, nu
loom
, Ureterp
loem.
Daar
oa
,
oo
op
ŏ
wijst, is die voc. ook toe te kennen aan Zaansch
lom
‘loom, stram’.
Het eenvoudigst is, een oorspr. paradigma *
lom
, *
lomes
aan te nemen, waarbij
vooral de pl. invloed zal hebben gehad; vgl. gron.
hool
‘hol’ subst. Mag men aan
Ureterp
loem
gewicht
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern