129
Die rolie van der Woedegher minnen.
[
Prologus
]
*
+
fol. 11
v
Dese lere sal
schinen ludende vander
sotter minnen, maer ic
[3]
+
[4] segge u, wiese te rechte versteet, die sal alle sotheit verwinnen.
[5] Oec biddic u allen
1)
, es dat sake dat mine worde hoghe luden,
[6] dat ghi mi daer [omme]
2)
niet hoverdich en merct, noch u
[7] selven oec niet en quetst aen mi, mer merct oec waer die
[8] worde oetmoedich sijn daer bi, want het hevet menech man in
[9] sine leringe hoghe ghesproken, die selve niet hoverdich en was
[10] daer bij. Oec moet die mensche dicke hoge ende neder spreken,
[11] na dat die minne Gods sijn herte wilt ontsteken. Maer emmeer
[12] en bekinic mi negheen orberliker dinc dan dat ic gheproeft
[13] werde, op dat ic mi selven lere kennen, aerm sondich mensche
[14] dat ic ben. Al weet ic oec wel dat dien mensche alle die
[15] werelt niet en can ontfoeghen noch ontsaten, die hem vriwil-
[16] lichlijc te Gode can laten. Ende dit is een seker teeken daer
[17] bij, dat alle sijn leven vanden heilegen gheest sij, ya al woude
[18] men u doeden metten handen, ende verscoren metten tanden,
[19] des en seldy nemmermeer willen wreken noch anden, want in
[20] den gront der oetmoedicheit en mach gheen anschel
3)
comen
[21] noch gheraken.
* Varianten van Hs. Br. 667: 3 Dese rolie oft rol (
de twee laatste woorden zijn uitgeschrapt
). 5
u al eest dat 6 daer omme niet hoverdiclijc 6 noch oec u selven 9 herde hoghe 10 moet dicwile
de mensche 11 ommer 12 egheen orborlijker d. 17 al sijn 17 gheest es 19 dat en suldi 19
aendraghen (
op de rand veranderd in:
anden) 20 anxt (
op de rand veranderd in
: ansel)
1) De lezing in de variant: ‘u, al eest (dat) sake’ verdient m.i. de voorkeur.
2) Ingevoegd naar de variant, die in zijn geheel waarschijnlik de juiste lezing geeft.
3) Lees: ansel (zie de variant, waar de afschrijver het woord ook niet meer kende).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern