Ansel VS211 Bedienungsanleitung Seite 11

  • Herunterladen
  • Zu meinen Handbüchern hinzufügen
  • Drucken
  • Seite
    / 321
  • Inhaltsverzeichnis
  • LESEZEICHEN
  • Bewertet. / 5. Basierend auf Kundenbewertungen
Seitenansicht 10
10
genus aan een homoniem. Procope der
n
ook in N.-Brab.: Zeeland, Uden (Onze
Volkstaal I)
erf
(
t
) m. ‘opperhuid, nerf, ook het bovenste, de zode, van weiland’. (Bij
deze bet. zou de fri. ‘glans ...’ zich kunnen aansluiten door een ontwikkeling in bonam
partem.)
ESCH en ESP, z.
den.
FEEKS. Het verband tot nwfri.
fekke
,
fikke
(
fikkert
blijkbaar onoorspr.) en de
gelijkluidende woorden bij Molema kan men zich zóó denken. Gelijk ags.
wicce
‘tooveres’ < *
wiknî kk
heeft uit gutt. +
n
, zoo is gron.
fekke
,
fikke
< *
faiknî
(
ai
vóór
meer dan één cons. verkort tot
è
en
ì
b.v. in gron.
brette
‘breedte’,
switt
‘(hij) zweet’);
daar het fri.
è
of
ì
uit
ê
slechts voor
mm
,
nn
,
ll
kent, zijn de fri. woorden aan de sa.
ontleend. Dit *
faiknî
behoort bij got.
bifaihôn
‘bedriegen’: on.
feikn
‘verderf’ en zijn
wgm. verwanten. Een abstr. hierbij zou b.v. een m.
faihiso
of een f.
faihisô
kunnen
zijn, of een (als os.
blîdsea
gevormd)
faihsiô.
Niet alleen uit het laatste, doch wegens
klankwettige syncope ook uit de eerste ware
feesse
te verwachten; maar door
woorden als os.
fêkn
‘list’,
fêkni
‘arglistig’ kon hieruit gemakkelijk
feeks
(
e
) worden.
Voor de bet. vgl. de toepassing van lat.
fraus
en
scelus
op personen.
FLEEMEN. Wegens
Teeuwes
enz. is epenth. van
w
tusschen
ê
<
ai
en
ə
aan te
nemen; men mag evenzoo
fleeuwen
,
v.
stellen naast
vleien
als
schreeuwen
naast
schreien.
Wat
f
in den anl. betreft, in 't Mnl. Wb. staat achtmaal
v
, viermaal
f
, waarvan
eens
fletsen ende fleeuwen
; de
f
is misschien van dit syn. uitgegaan (en dan op
fleemen
overgedragen; vgl. Franck-Van Wijk). Wat het suffix aangaat, staat
fleemen
naast
vleeuwen
,
vleien
zooals mnl.
schreemen
(en verwanten) tot
schreeuwen
,
schreien.
Met abl. (vgl. ohd. os.
scrîan
) of met fri.
î
<
ê
Molema
fliemstrieken
(dat ik
echter met
v
hoor) ‘vleien, pluimstrijken, flikflooien’, oostfri.
flîmstrîken
‘id.’ (saterl.
flîmstrôkje
denkelijk naar ndd. vrb.),
flîmen
‘liefkoozen, streelen, vleien’; Ten
Doornkaat Koolman verbindt dit met
flêm
,
flîm
‘vliesje over melk, enz.’; dit zou m.i.
slechts aanbeveling verdienen zoo een grondbet. ‘vel’ aantoonbaar ware.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Seitenansicht 10
1 2 ... 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 ... 320 321

Kommentare zu diesen Handbüchern

Keine Kommentare