Ansel VS211 Bedienungsanleitung Seite 15

  • Herunterladen
  • Zu meinen Handbüchern hinzufügen
  • Drucken
  • Seite
    / 321
  • Inhaltsverzeichnis
  • LESEZEICHEN
  • Bewertet. / 5. Basierend auf Kundenbewertungen
Seitenansicht 14
14
de volgende in Groningen voorkomende vormen, waarover nader handelt J.A. Feith
in Gron. Volksalmanak voor 1892 p. 43, 46, 55:
Gad
(1329) =
Gate
(1342) =
de Jate
(1362) =
de rechte Jate
(1393) =
het rechte Jat
(16
e
en 17
e
E (huisnaam
kijck in 't
jadt
1553) =
het Olde Jat
of
de Jatstrate
(2
e
helft 17
e
E) =
Kijk-in-'t-jat-straat
(1739
tot heden) [doch volkstaal
Kiekendiesstroade
, Westerkw.
Kiekentjestroat
];
het Jat
(althans 16
e
E);
de Kromme Yate
of
de Kromme Jat
(14
e
, 15
e
, 16
e
E);
De Kolde
Gathe
1457 =
het Koldegat
17
e
E. Het blijkt dus, dat in Gron. althans sinds de 14
e
E
het gat
en
de gate
naast elkander voorkwamen, waaruit *
de gat
door vermenging.
Daar
j-ast
voor
gast
en dgl. in 't gron. ongehoord is, zullen
jat
en
jate
wel te wijten
zijn aan de fri. omgeving, die
jet
voor
gat
zei.
GEESEL. Met
î
on.
gísle
zw. m. ‘stok’; Q.u.F. 75, 90 langob.
gîsil
st. m. ‘pijlschacht,
pijl’ abl. met ohd.
gêr
enz. (oorspr. ‘speerschacht’;
gîsil
door 't suffix aangeduid als
‘kleinere schacht’, d.i. ‘pijl’). Hierbij Kampen en omstr.
giesəl
(niet
īe
) <
î
, gron.
giezeln
‘geeselen’, N-Ov.
gieselen
(Gallée).
Mnl. intr. GEHERMEN enz.: nwfri.
hiermje
‘verdragen, uitstaan’, ‘tegenhouden (den
groei)’,
on
-,
ûnhiermlik
, -
hjirmlik
‘onverdraagbaar, onduldbaar’. Krijgt een causat.
*
herma
‘doen rusten, tot stilstand brengen’ een obj. als
de vijanden
, dan leidt dit tot
de bet. ‘tegenhouden’ en ‘uithouden’.
GEEUWEN. Hierbij mnl.
guwe
‘kaak, kinnebak’; z. Mnl. Wb.
GENE en synoniemen. Bij den stam
i
-,
eje
- behooren, behalve wat Fr.-V.W.i.v. en
bij
hij
noemt (en de overeenk. ndd.), ags.
ilca
(of
í
?) <-
lîk
- ‘dezelfde’,
í-doeges
‘denzelfden dag’,
í-síþes
‘terzelfder tijd’; ook bestaat mnd.
î-dages
‘denz. dag’,
alsmede (Grundr.
2
I 1358) owfri.
all-î-diges
‘id.’ (V. Helten, Zur Lex. des aofri.,
verklaart
iding thing
(z. Gru. t.a.p.) en
ideng
anders). Grundr. t.a.p. statueert
jôna
-wegens saterl.
júntî
‘jener’ < *
jôn-thî
en
k unṛ
< *
k
(
i
)-
jôn-der
‘da hinten hin’;
evenzoo Kluge Vorgesch. § 242 voor ags.
geón
demonstr. [op één plaats] en
geónd
‘throughout; thither’ (al noemt hij eerst gm.
ê
ook mogelijk).
GEUL. On.
gil
m.
ja
-st. ‘kloof, vooral met rotsen aan weers-
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Seitenansicht 14
1 2 ... 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 ... 320 321

Kommentare zu diesen Handbüchern

Keine Kommentare