296
van
môs
‘spijs’ (vw. ‘eten’); ‘moes’ (vw. ‘fijn maken’; in Gron. zegt men van iets wat
heel fijn wordt:
't wort mous
; Nl. Wb.
moezen
I ‘tot moes maken’, ook: ‘t.m. worden’).
Naar 't ww. het znw.
mjs
‘het eten’ (wij zijn aan de -; hij heeft vandaag nog geen
- gehad), waarbij
mjšən
‘kliekje, opgewarmd eten’. - Dit leidt er reeds toe,
moezen
I, II (‘smullen’) en III (‘morsen, knoeien’) in Nl. Wb. te houden voor bijeenbehoorend;
hierbij komen voor het verband tusschen II en III nog de parallelen welke men vindt
bij Fr.-V.W.i.v.
smullen.
Verder behoort hier Nl. Wb.
muizen
II in bet. 3: ‘smakelijk
eten’ sluit zich aan bij ‘smullen’, terwijl het denom.
muizen
slechts beteekent: ‘muizen
vangen’, niet: ‘van een muis smullen’. Doch
muizen
V (‘fijnmaken’) onderstelt een
u
-wortel; z. de vormen in Nl. Wb.
Moezelen
bij Molema is dan ook terecht bij
laatstgenoemd
muizen
vermeld, doch ten onrechte bij
moezen
III. Eindelijk zou men
Nl. Wb.
moezen
IV (‘pruilen’) met zijn homoniemen kunnen verbinden, daar hd.
schmollen
aan ons
smullen
doet denken; dit schijnt echter een bedriegelijke
toevalligheid te wezen.
MOND. Verwantschap met ohd.
mindil
, enz. ‘gebit aan den teugel’ is aan te nemen
wegens on.
minne
n. ‘monding’. [Het door Ausgleichung der casus ontstane on.
munnr
komt voor.] - Daar benamingen van plaatsen zoo dikwijls in den dat. stonden,
zal op ofri. dat.
mûthe
berusten Molema
moe
‘geul, uitwateringsgeul, buitendijks, in
den Dollert’. Vgl. hiermee Zandvoort
Jarremuie
‘Yarmouth’,
de mui
‘zijdelingsche
uitmonding, waaruit bij eb het water uit een zwin (vóór zandbankjes achtergebleven
strandplas) naar zee loopt’ (Onze Volkstaal I).
MOOT. Gron., althans in en om Noordhorn, niet
oo
, maar
oa
; juist dit wijst op
ontstaan uit *
mâte
(hoewel ook *
mate moat
zou geven). Maar hoe te verklaren nwfri.
moat
?
MOS. Met Fr.-V.W. vgl. Nl. Wb.
moos
I. Zevenbergen, Terheiden
moos
vr.
bepaaldelijk ‘het vertrek waar het vaatwerk gewasschen wordt’ (Onze Volkstaal I).
- Hierbij vermoedelijk
Mussel
en
Mussel A.
Dre. Volksalm. 1848: ‘
Mussel
, znw., vr.
broekgrond
,
drassig weiland.
’
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern