Ansel VS211 Bedienungsanleitung Seite 230

  • Herunterladen
  • Zu meinen Handbüchern hinzufügen
  • Drucken
  • Seite
    / 321
  • Inhaltsverzeichnis
  • LESEZEICHEN
  • Bewertet. / 5. Basierend auf Kundenbewertungen
Seitenansicht 229
229
tinently; to spy’ (sedert 1306);
to pry into
‘to search inquisitively into (enz.)’ (sedert
1610); terwijl
to pry
ook (1548-1760) gevonden wordt als tr. ‘to look for, look through,
or look at closely; to observe narrowly’. Als grondbet. is hier aan te nemen ‘zich
ingespannen op iets richten’, en ook dit wordt speciaal toegepast op het zich richten
met de oogen. Dat ‘inspanning’ leidt tot ‘strijd’, daarvoor vgl. men
krijg
en
strijd.
]
KINKHOEST. Ook eng.: NED
kinkhost
sinds a
o
1190: ‘kinkehost vocant Angli’. Met
de voc. van mhd.
kîchen
in Limburg (Neeritter)
kiekhoost
[zoo is, ook blijkens de
alphabetische plaatsing, te lezen Onze Volkstaal 3, 147 voor
kickhoost
], met
ie
als
in
ies
‘ijs’ e.a. Vgl. verder NED
kink
en
chink
en Falk-Torp
kighoste.
KLAD. Vgl. De Bo
kladder
‘kladde, kladboek, looper’, ‘klad, klater, groote vlek van
inkt enz.’,
kladderen
‘kladden, bevlekken’, ‘kladden maken’;
klatte
‘een fakje werk,
eene kleine hoeveelheid stoppe die in de tanden van de hekel blijft kleven, als men
vlas hekelt’,
klatteren = klateren
(z. ben.);
klater
‘kladde, kladder, vlek’
klateren
,
‘bekladden, bevlekken’, ‘kladden of inktvlekken maken’;
beklateren
,
beklatteren
=
(Nl. Wb.)
beklassen
,
beklatsen
‘bevuilen’, elders naar 't schijnt
bekleteren
, verder
bekletsen
- alles zuidndl. woorden (van W. Vl. en Zeel. tot Limb.). Doch ook stadgron.
bekletsen.
Verder met
t
Gallée
klater
f. ‘vuil’ (-
s
in de ooghoeken, in de manen van
een paard en (Driem. Bl. 4, 29)
klāterig
‘vuil (van haren), vies, onrein (van de oogen,
als zij vol vuil en korsten zitten)’, Molema
kloaters
‘drekballen die de schapen aan
de wol blijven hangen’, ‘lompen van een bedelaar, verscheurde kleederen, lappen,
vodden, die nog tot kleeding dienen’. Eindelijk leidt Meyer-Lübke itl.
chiazza
‘Fleck’,
‘Leberfleck’ af uit langob.
klatza
‘Fleck’, voor welks bestaan mij geen verder bewijs
bekend is. Overziet men al deze vormen en de bij Franck-Van Wijk genoemde, dan
blijkt het dentaal element voor te komen als
dd
,
tt
,
t
,
ts
,
ss
(hd. en langob.
tz
<
tt
);
e
is als Uml. te beschouwen. Misschien oorspr.
t
(
t
) en
þ
(
þ
); het laatste kon
dd
,
tt
,
ts
, en
ss
leveren; z. bov.
betten.
[De verwantschap met on.
klasi
enz.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Seitenansicht 229
1 2 ... 225 226 227 228 229 230 231 232 233 234 235 ... 320 321

Kommentare zu diesen Handbüchern

Keine Kommentare