287
KWELDER. Ook Wangeroog: Fri. Arch. ‘Dait quéller nennen die Insulaner die Pflanzen,
welche auszerhalb der Dünen und am festen Lande auszerhalb des Deichs am Ufer
wachsen, pld. [= ndd.]: quénnel,
kakile maritima.
’ Dat de toepassing van het woord
op de plant - collectief en individueel - de oorspr. zou zijn, daartegen spreekt
eenigszins bij Gallée
kwelderland
‘land dat onderloopt door het doorslaan van den
dijk’ - in de Graafschap natuurlijk niet met kweldergras bewassen.
KWINKSLAG zal wel als ‘vlugge slag, vlugge zet’ behooren bij mnl.
quinken
‘zich
snel bewegen, flikkeren’, Wangeroogsch
quink
‘blinzeln’ en Saterlandsch
quinkje
,
quinkogje
‘mit den Augen zwinkern’.
Os. *KWINTA
of dgl.
Daar voor mnl.
conte
enz. de grondbet. ‘gat’ waarschijnlijk is,
mag men het houden voor door Ablaut verbonden met
kwint
bij Molema ‘kleine,
bekrompene, ellendige woning, een krot’, en met het in de stad Gron. gebruikelijk
olle kwinde
‘oud, vervallen huis’ (ald. b.v.
kande
‘kant’ <
kante
); voor de bet. vgl.
men
gat
toegepast op een ellendige woonplaats. [Van eng.
queint
, bei.
quinze
zal
ik de semantische bezwaren te minder bespreken omdat ik de woorden niet verder
kan nagaan; bij Wright ontbreekt het eerste, het tweede is geen normaal woord en
staat in het register van Schmeller
2
met?]
LAAI. Nwfri.
lôge
‘vlam’, ook:
yn ljochte lôge
;
lôgje
‘vlammen, met een groote vlam
branden’; verouderd
leach
,
leage.
Abl. Wangeroog
dait holt luget
, van kienhout, dat
onder 't uitvloeien van hars met een donkere vlam brandt. Verder wa.
leiTH
of
leid
‘bliksemen’, '
t leiTHert
‘het bliksemt’,
hittîleiTH
pl. ‘het weerlichten’,
leidslag
m.
‘bliksem’. Saterland
leie
‘bliksemen’ heeft dus waarschijnlijk syncope (vgl. b.v.
rê
i
ər
<
hrîther
‘rund’). Of het ofri. hier
g
gesyncopeerd heeft (zooals b.v. in
lêist
‘laagst’)
is kwalijk uit te maken. Cad. Müller
layde
, -
n
‘bliksem, -en’. Vgl. nog Kil.
lochene
Fris. ‘flamma, flammula’,
loechene
vet. Sicamb. ‘flamma’; verder (sa.) ofri.
löchem
‘Lohe, Flamme, Flämmchen’ en
lochem
(met
ò
; ook ww. -
en
) bij Molema; in het
stad-gron. is (
de
)
lòchem
‘stinkende walm’, b.v. van
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern