84
‘Wonder, wonder, noch eens wonder!
't Gat leyt boven, 't hooft leyt onder,
En het gaetter wel verkeert,
Daer de knecht sijn meester leert.
Onse wagen die sou hollen,
Stond zy maer op rat, of rollen,
Want mijn Ezels gaender voor,
Sonder wetenschap van spoor.
D'eerste draeft vry wat hoveerdigh,
En de tweede gantsch oneerdigh,
Doch de derde valt soo goet,
Dat ick d'Ezel prijsen moet.
'k Ben met 't vierde heel bedroogen,
't Arme beest heeft glaesen-oogen,
En het kijckter niet meer uyt.
Maer het vijfde moest ick hebben,
Want de haver inde krebben
Wou aen 't wassen met gewelt,
Ofse stond op 't open velt,
Daerse swelt van dauw en regen;
Had ick Slock-op niet gekregen
1)
,
'k Was nou al aen 't dorsen vast,
Daer ick nu van ben ontlast.
Maer wat dunckje van de leste?
't Is al vry wat veer van 't beste;
Daerom loopt hy oock voor speck
Sonder bitjen in sijn beck’.
De Ezels, waarvan gesproken wordt, zijn de zes regenten van den Schouwburg
(Unger). Letten wij eerst op N
o
. 5 en bedenken wij, dat als vijfde regent in het jaar
1637-1638 wordt opgegeven Hereman Dircksz. Coorenkind
2)
, die verder niet meer
als zoodanig voorkomt - hij was in 1635 en volgende jaren bestuurslid der Oude
Kamer geweest
3)
- dan kunnen wij gemakkelijk de anderen identificeeren. De eerste,
die ‘draeft vry
1) De beteekenis van den versregel is niet duidelijk.
2) Zie C.N. Wybrands,
Het Amsterdamsche Tooneel van
1617-1772, blz. 227, waar eene lijst
der regenten is afgedrukt.
3) Zie Dr. J. te Winkel,
De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde
, II,
Haarlem
,
De
Erven F. Bohn
, 1908, blz. 122.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern