212
meldt Jan Zoet (Olympias 49:
rop
) en Oudaan (Poëzy 4, 20:
rop
), terwijl in diens
Wdb. op Bredero staat genoemd een citaat uit Moortje: ‘Schiet inje
rop
, prop inje
darmen’.
Hier, zooals ook in Lucelle, bij Jan Zoet en Oudaan wordt het woord gebezigd
voor ‘maag’ in het algemeen, bepaaldelijk een ‘gulzige maag’. Het ligt voor de hand
te meenen, dat deze beteekenis zich heeft ontwikkeld uit die van ‘vischmaag, maag
van groote visschen’. Met name wordt de maag van den walvisch, waar Jonas in
zat, meer dan eens zoo genoemd. Behalve op het citaat uit Pers kan ik hier wijzen
op een regel in het gedicht: Jona in den Visch, van Fr. van Dorp (in diens Stichtelijke
Gedichten, 305, a
o
. 1679): ‘Zou God mij in den
rop
, en in de holle darmen Van dit
woest Zeegedrocht wel sien?’ Weiland, die dezen regel aanhaalt, schrijft minder
nauwkeurig
rob
, waar het oorspronkelijke
rop
heeft.
Zooals men ziet, is het woord zoowel in de eerste als tweede helft der 17
de
eeuw
zeer gewoon geweest, ja, indien men een onvoorwaardelijk vertrouwen stellen mag
in Hooft, dan zou blijkens de plaats uit de Ned. Hist. het reeds in het jaar 1573 in
den mond genomen zijn door den door de Spanjaarden gevangen burgemeester
van Haarlem Kies, die zich over de gevangenneming van Bossu na den slag op de
Zuiderzee aldus in bedekte termen uitliet: ‘Daar was een kabbeljauw gevangen, en
zyn
rob
wel hondertduizent gulden waardt’. Vindt men het echter vooralsnog
voorzichtiger, waar er geen andere bewijsplaatsen uit de 16
de
eeuw zijn gevonden,
het woord aan Hooft zelf toe te schrijven, dan komen de beide oudste plaatsen, die
door mij zijn aangetroffen, voor in de Beschrijvinghe ende Historische Verhael vant
Gout Koninckrijck van Guinea door de Marees (a
o
. 1602), waar men op blz. 68
b
(‘Vanden Bonites’) leest: ‘Wy vonden altijdt veel vlieghende visch in hun maghe of
roppe
’ en op blz. 69
a
: ‘Hy (
de haai
) is so gulsich, dat so wanneer hy honger heeft,
hy het al sal in slicken dat hem gemoet, ende siet gheen dinghen aen, of sijn Maegh
'tselve can verteeren of niet, want men heefter ghevangen daermen in hun
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern