Ansel VS211 Bedienungsanleitung Seite 221

  • Herunterladen
  • Zu meinen Handbüchern hinzufügen
  • Drucken
  • Seite
    / 321
  • Inhaltsverzeichnis
  • LESEZEICHEN
  • Bewertet. / 5. Basierend auf Kundenbewertungen
Seitenansicht 220
220
leven’, Gallée
jüchteren
‘wild stoeien, hard loopen en schreeuwen’, Draaijer
juchteren
‘draven, tieren, stoeien’, Molema
jüchtern
‘luidruchtig stoeien’, Ten Doornkaat
Koolman
juchtern
,
jüchtern
‘sich schäkernd, spielend u. neckend umhertreiben, sich
necken’, en voor den uitgang: mnl.
joyten
, ouder nnl.
juiten
(z. ben.), - eng.
to grunt
:
hd.
grunzen
, - naast hd.
schwänzen
, welks beteekenis Kluge wel terecht uit
‘bummeln’ zal afleiden, Noordhorn
omswantjen
‘doelloos heen en weer loopen’ van
*
swanten
< *
swangten
of < *
swankten
? vgl. b.v. Kluge; doch men kan ook denken
aan *
swanden
naast *
swenden
in
zwendelə
‘straatslijpen’, dat volgens Van de Water
behalve Bommelerwaardsch ook Nederbetuwsch is; verder Antw.
zwenderen
‘slenteren; doelloos gaan, traagzaam wandelen’, Farmsum
swindeln
‘heen en weer
loopen’. En daar
juichen
misschien mnl. is, maar
juchen
zeker mnd., kan de interj.
jûch
zeer wel ook in ons land hebben bestaan; ook
jouw
, vw.
jouwen
, is uit het mnl.
niet opgeteekend, noch
, waarvan Fr.-V.W.
jolen
afleidt, noch
joe
bij
joelen
, terwijl
Gallée voor
jüchteren
in Varseveld
joechteren
heeft (Driem. Bl. 4, 28), men in
Overijsel
joechteren
kent als ‘uitgelaten vroolijk zijn, wild stoeien, geen maat in
luidruchtigheid kennen’ (Ov. Alm. 1836), en in Staphorst
joegĕn
is ‘joelen, van kinders
gezegd’ (Driem. Bl. 6, 81). Evengoed als
joe
,
ju
,
jo
reeds oorspr. vocalisch kunnen
eindigen, evengoed kan, indien men van ogm. *
jûχ
uitgaat, daaruit *
joe
in de
oostelijke streken, *
j
>
jui
in de westelijke zijn geworden (vgl.
juilen
en ouder nnl.
juiten
,
juiteren
‘juichen, enz.’ indien men dit, met Mnl. Wb. i.v.
joyten
, verbindt met
zwi.
jûzen
enz.; dan moet men het evenwel scheiden van dit mnl.
joyten
‘lawaaien’,
wat niet voor de hand ligt, - vgl. nog ben.
jui
en vgl. west.
du
, oost.
doe
‘tu’; *
jo
desnoods < *
ju
< *
jŭχ
(vgl. Ts. 32, 175 over
do
‘tu’,
jo
‘vos, vobis’); ook kan
juchten
komen van
jŭχ
; vgl. md. ndd.
j chen
naast mhd.
j ch
!, evenals mhd.
jûwen
‘een
jubelzang zingen’ naast
! - Ook
joeien
‘salaciter ludere’, door mij vermeld Voc. v.
Noordhorn p. 51 al. 1 als misschien ontleend aan mnl.
joyen
, is veeleer wegens
vorm en bet. evenzoo
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Seitenansicht 220
1 2 ... 216 217 218 219 220 221 222 223 224 225 226 ... 320 321

Kommentare zu diesen Handbüchern

Keine Kommentare