Ansel VS211 Bedienungsanleitung Seite 232

  • Herunterladen
  • Zu meinen Handbüchern hinzufügen
  • Drucken
  • Seite
    / 321
  • Inhaltsverzeichnis
  • LESEZEICHEN
  • Bewertet. / 5. Basierend auf Kundenbewertungen
Seitenansicht 231
231
vormig opgestapelde turfhoop’, in 't algemeen ‘kantig blok of stuk’, ook ‘blok hooi in
de schuur dat overblijft wanneer een deel er al uitgestoken is’. In de laatste bet. ook
Sebaldeburen
klip
en
klibbe
, Noordhorn
klip
(mv. phonetisch altijd
klìṃ
< *
klibben
).
Dre. (Dr. Volksalm. 1848)
klibberen
‘kleven, vastkleven van koude’. - Gallée
klîve
f. ‘klis’.
KLIEVEN. Met Abl., behalve het in Frank-Van Wijk i.v.
klucht
vermelde, oijsl.
klyfia
,
prt.
klufþa
, ozwe. (eens)
klyfia
‘splijten’.
KLIF. Nwfri.
klif
n. nog in namen van hoogten aan de Zuiderzee; z. Fri. Wb. 4,
waar ook een
Ruad
(Rood)
Klif
op Sylt vermeld wordt. Hierbij misschien Schiermonn.
kliften
‘aardhoopen’. Helgoland
kléō
,
kle
,
klef
‘Kliff, Fels, der hohe Teil der Insel’
(dus niet slechts eigennaam, ook blijkens samenst.).
KLIM bij Molema ‘steek in 't veen’,
klemm
bij Ten Doornkaat Koolman ‘turflengte,
als maat voor een veenlaag’ kan men, met de grondbet. ‘zooveel als aaneenhangt’,
met ons
klemmen
verbinden. Het hiermee misschien verwante mnd.
klave
enz. (z.
b.v. Franck-Van Wijk) leeft dial. in Gron. en Dre. voort; z. Molema
kloave
, alsmede
Dr. Volksalm. 1839
kloaf
, ‘houten halsband, om de koeijen op stal vast te binden’.
KLITS. Hierbij nog
klitse
‘hündin’ bij Holthausen, Soester Mundart § 52 a, en
18
e
-eeuwsch gron. (Van Halsema)
klitze
‘teeve’.
KLODDER. Reeds ags.
clod-hamer
‘field-fare’,
Clodhangra
n. propr.; vgl. verder D.
Wb.
kloder
(misschien pl. v.
klod
; z. ald.).
KLOMP. Met Abl. (z. Falk-Torp) de.
klimp
‘klompje’, ouder de. ook
klemp
, Jutsch
klepp
, zwe.
klimp
, zwe. dial.
kläpp
‘berghoogte’, nrw. volstaal
klepp
‘klomp enz.’,
on.
kleppr
‘klomp, bergtop’; ndd. (Berghaus)
klimp
‘felsige Anhöhe’. Ozwe.
klimper
‘klomp’, uit oorspr. dat
klimpe
, naast
klaepper
(Noreen, Aschw. Gr. § 235, 1 a). Vgl.
met on.
klubba
Molema
klōbbe
‘stuk, van vleesch’, ‘homp, van brood, maar dan van
ronder vorm’, meer
klōbke
, b.v. '
n - vet
;
klōbbertje
‘klosje met garen’. Hierbij vermeldt
Mo. dre.
klobbe
‘het onderste, afgezaagde deel van een boomstam’.
KLOS. Niet onaannemelijk schijnt verwantschap met ags.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Seitenansicht 231
1 2 ... 227 228 229 230 231 232 233 234 235 236 237 ... 320 321

Kommentare zu diesen Handbüchern

Keine Kommentare