
49
een substantief zonder praepositie; een lidw. of pron. vormt den rhythm. voorslag
1)
.
Ook hier ontstaat een type met twee zware heffingen, wanneer het gedeelte tusschen
S. en V. een substantief bevat:
2696 Dat swért hi vaste in die hánt hìlt
3926 Den scácht hi vaste in sine hánt hìlt
4118 Dat swért hi vaste in sine hánt hìlt.
Het rhythme is hier weer van den vorm: , evenals dat der volgende verzen
(zinnen):
1804 Sinen scílt hi hem ontwée bràc
1956 Enen éet hijs Fergúut dòet.
2280 Sine scérden hi te hémwaert gàet
2490 Die stráte hi so lánge rèet
2491 Enen casteél hi vóer hem sàch
2555 Den casteél hi vóer hem sìet
Slechts in éen vers heeft het rhythme éen zware heffiing:
373 Sinen váder hi daer vìnt.
Twijfelachtig is:
3530 Den bóem hi vóllike nàm
Den bóem hi vollike nám.
Een aanloop, bestaande uit een substantief zonder rhythmischen voorslag, komt
maar eenmaal voor:
713 Órlof hi den cóninc bàt.
(type: )
Verzen zonder rhythm. voorslag worden anders steeds ingeleid door een adverbium:
818 Vóllec si jegen hem ópscòet
971 Vóllec si buter cámeren gìnc
1354 Vóllec hi hem te bédde màect
1) ‘Voorslag’ is de rhythm. daling vóor de eerste heffing, ‘aanloop’ is de synt. woordgroep vóor
S. en V.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern