286
KROP. Ook hier een vorm met enkele cons.: on.
krof
n. ‘krop’.
KROT. De familie moet, naar haar verbreiding te oordeelen, wel vrij oud zijn; z.o.a.
Nl. Wb.
kreute
en Molema id.; Westerkwartier
kreut
‘klein persoontje, klein ding’.
Beets voegt hierbij Betuwe
kroet
(collect.) ‘afgevallen fruit, klein fruit’; Kennemerl.
krotje
‘kleine appel, enz.’ Daarom zijn verwant te achten scand. woorden die ‘iets
kleins’ en vd. ook ‘afval’ beteekenen: noorsch dial.
krota
‘brok, overblijfsel’, abl. zwe.
dial.
krate
‘iets kleins, afval’ e.a.; z. Falk-Torp
krat
, ook voor
tt
naast
t.
KRUIPEN
enz.
Met zwe.
kryp
, de
kryb
‘insect, kruipend dier, worm’ is in bet. te vgl.
gron.
króp
, mv. phonetisch
króṃ
, dus < *
króbbe
, naar 't mij voorkomt hetzelfde diertje
als volgens Ten Doornkaat Koolman op Borkum
krubbe
heet; hij geeft op
‘
Mauerassel
, Kellerwurm’ (dus èn Oniscus murarius èn O. scaber?). Fri. Wb.
krob
(
be
)
‘algemeene naam van verschillende soorten von schild- of halfvleugelige insecten.’
De zoölogische identificeering moet ik aan anderen overlaten.
KRUK. Noreen Aschw. Gr. vergelijkt oijsl.
krákr
‘haak’; ozwe.
krøkia
(en
krykkia
)
‘kruk’ bij ozwe.
krōker
‘iets kroms’; oijsl. zw.
krake
‘boom met afgehouwen takken’.
KRUL. ‘Vocalentgleisung’ ook in nwfri.
krâl
naast
krol
(met
ó
), ‘krul, kronkeling’,
krâlje
naast
krolje
‘krullen, kronkelen als een worm, aal of slang’.
KUIL (vischnet). In aansluiting bij on.
kodde
wijst op een bet. ‘kussen’ het bij
Molema als Ommelandsch opgeteekend
kudels
‘kussentjes van vet of door
opgezetheid op de handen of onder de oogleden’.
KUIM adj. wordt vermeld Mnl. Wb.
cume
; hierbij dre.
kuum
‘teeder, ziekelijk’ (Dr.
Volksalm. 1839).
KWEESTEN (z. Nl. Wb.). Het woord was niet tot zoo eng gebied beperkt: dre. (Dr.
Volksalm. 1840)
kweesten
‘vrijen’.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern