289
aanneemt dat ze is ontstaan in uitdr. als
lange
,
korte lidmaten
(ledematen) hebben.
LIED. Hierbij ablautend on.
lúþr
‘hoorn’ (blaasinstrument).
Mnl. LIEKE ‘bloedzuiger’. NED acht het op grond van ags.
lyce
, waaraan het
ý
toekent, van vroeg me.
liche
en van mnl.
lieke
waarschijnlijk, dat eerst
volksetymologie den naam van het dier met dien van den geneesheer in verband
heeft gebracht. Dit is aannemelijk; de mnl.
ie
aan fri. of mfra. invloed toe te schrijven
is een noodbehulp. Wij komen er nu toe, verband te zoeken met
lûkan
‘trekken’.
Hoe goed de bet. past, bewijst dadelijk het eerste vrb. in het Mnl. Wb.: ‘Lieken
trecken vele meer dan ventosen (koppen) ...’. De
ie
beantw. dan aan
io
; vgl. ohd.
(Braune § 384 A. 1)
liochan
‘vellere, reissen, zupfen’, opperd.
arliuhhan
‘evellere’,
ptc.
zilohhan.
[De vocaaltrap is dus dezelfde als in het bov. behandelde
leek
; mnl.
leke
berust echter hierop, dat het hs. meermalen
e
voor
ie
heeft, volgens Ts 2, 199
noot 3.] Daar
lieke
slechts in 't mv. is aangettoffen, kan men het houden voor zw.
m. of voor zw. of st. f.; ags.
láece
, Kentsch
lýce
is st. m. [wvla.
lijklake
f. - mv.
lijk
e
laken
heeft De Bo in een citaat uit zijn eigen tijd -,
lijklaken
m. en f., dus ‘medicus’
en ‘-ca’; -
en
uitgang van den pl., dien men als sing. opvatte? vgl. o.a. mnl. en ouder
nnl.
dingen
als sing. Sievers § 154 A. ziet in
lýce
‘umgekehrte Schreibung’; intusschen
geeft - wat toeval kan zijn - NED
ý
niet bij de bet. ‘dokter’. Sterker spreekt
liche
(a
o
1275); vgl. b.v.
fliʒen
‘vliegen’ (terwijl ‘dokter’ in dien tijd wel
leche
,
lache
,
laeche
,
liache
is, maar niet
liche
). Dit wijst op een
ja
-st., hetzij op ouder ws.
líece
(dat ook
lýce
gespeld kon worden),
líoce
(Uml. v.
éo
<
eu
), hetzij op
lýce
(Uml. v.
ú
). De mnl.
vorm onderstelt voor 't naast
a
- of
ô
-st.;
lieke
kan echter zijn als
liede
naast
lude
, in
welk geval
u
toevallig ontbreekt. Kil.
lijcklaecke
, De Bo
lijklake
f. en
lijklaken
m. en
f. behooren tot de verduidelijkende samenst. (Beets wijst mij nog op St. Truien
mieremet
‘mier’, geslachtsnaam
Mieremet
)
1)
;
ij
zal wel een ontw.
1) 't Daghet i.d.O. XXII. 1906. 132. - Loonsch
moemet.
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern