304
groote schade van t'Landt ende tot sijn eyghen profijt, t'welck daer naer heeft
ghebleken, alsoo den selven Pacht int openbaer 17000 gulden Jaerlijckx meer heeft
ghegolden. Daer wordt vastelijcken ghelooft dat hy wel 12000 guldens voor
schenckagie om dit schoone stuck wercks heeft ghecreghen’. Men kan het van den
pachter hooren.
Men vergelijke hiermede
Roskam
, 119:
Luyckt 't oogh voor sluyckerye, en onderkruypt de pachten.
Ook dient gelet ‘op t'ghene hy inden valschen draetwerck heeft ghehandelt’,
bewerkende, dat ‘met seer quaede Practijque een Octroy aen Jan Carpentier, ende
Servaes Hellingh (seer fijne Voghels) is ghegheven om dien draet te maecken ende
al de Wereldt daer mede te bedrieghen’. Dat heeft hij in de vergadering van Hoog
Mog. verdedigd ‘daer voor bulderende ende tierende, ende dreygende, als een dul
ontzinnigh mensch ..... Wat hy voor zijne belooninghe, aen vergulden Coppen,
Schalen, Soutvaeten, ende anders in zijne Schatcamer gecregen heeft, weet hy
seer wel t'welck van het bloet vande arme Luyden gaet, die door die twee schelmen
zo zeer zijn gheinteresseert, gelijck het daer naer by haere banckeroeten is
gebleken’.
Vgl.
Roskam
121:
Neemt giften voor octroy,
en vs. 37, waar van Hooft gezegd wordt:
Noyt sooptghe 't bloet en mergh der schamele gemeent.
Veel geld heeft hij ook ontvangen van de bedijkers van Cromstrijen Hulster ambacht,
en meer dergelijken.
Wat schelmerijen hij aangericht heeft op de reis naar Lubeck, Hamburg en de
andere steden, zal Bacckerus kunnen zeggen, die daarbij penningmeester geweest
is, en die te eerlijk is ‘om zijn gemoet met sodanigen guyt te beswaren’. Ook de
heeren
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern