28
dan: ‘1
o
een der daggetijden van 't brevier, als het in 't openbaar gezongen wordt;
2
o
de namiddag-godsdienstoefening, [thans] gewoonlijk om 3 uur 's middags tot 4
uur’
1)
(Stellwagen, Roomsche Woorden 217).
Desnoods, naar de oorspronkelijke beteekenis, kan V. dus inderdaad een
‘avondpsalm’ (Alb. Th.) bedoeld hebben. Mits men dan niet aan ‘avond’ in den
eigenlijken zin denke, maar aan den ‘avond des levens’: eerst hierdoor krijgt men
den onmisbaren schakel om te komen tot het ‘uitluiden’ of ‘grafluiden’. Die figuurlijke
- maar gansch natuurlijke - toepassing nu vinden wij inderdaad bij twee
middeleeuwsche Hollanders (en allicht ook elders). In zijn gedichtje ‘Vander
Bedevaert’ werkt Hildegaersberch de oude welbekende vergelijking van het
menschelijk leven met een pelgrimage nader uit
2)
, waarbij hij aandringt op het goed
besteden van den ons door God nog geschonken tijd (onzen ‘levensdag’, waarop
straks de ‘nacht’ zal volgen), ten einde door berouw onze zonden te boeten (CXIII
60 vlgg., blz. 240):
Die dach is over middach leden
Mit menighen mensche meer dan yen,
Die luttic nader sonnen sien,
Hoe seer si daelt ende niet en rijst,
Ende hoe natuer an hem bewijst
Dat vespertijt beghint te naken.
3)
En wanneer Dirc Potter in de inleiding tot Der Minnen Loop heeft verklaard waarom
hij deze stof gekozen heeft, en dan voortgaat (I 66):
Want mine ghenoechten moet ic stichten
In allen ghenoechliken dinghen,
Die goede wiven vroechden aen bringhen,
Op dat die minnentlike schone,
Die aller vrouwen is ene croene
1) Dat de vesper oorspronkelijk om 6 uur gezongen werd doet hier niets ter zake.
2) Zie Duyfkens ende Willemynkens Pelgrimagie enz., ed. Ruys, 9-16.
3) Verg. ook Hildeg. CIX 119 (blz. 251).
Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Jaargang 34
Kommentare zu diesen Handbüchern